ECLI:NL:HR:2014:1198

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 mei 2014
Publicatiedatum
22 mei 2014
Zaaknummer
13/02108
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6:272 lid 1 BWArt. 7:405 lid 2 BW
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afrekening op basis van gebruikelijk hoger loon bij ontbinding overeenkomst van opdracht tussen advocaat en cliënt

In deze zaak stond de ontbinding van een overeenkomst van opdracht tussen een advocatenkantoor en een cliënt centraal, waarbij een prijsafspraak was gemaakt. De vraag was of bij ontbinding de ongedaanmakingsverbintenis inhoudt dat de afrekening moet plaatsvinden op basis van het oorspronkelijk overeengekomen loon of dat het gebruikelijke, vaak hogere, loon kan worden berekend.

De zaak werd in eerste aanleg en hoger beroep behandeld door respectievelijk de rechtbank Amsterdam en het gerechtshof Amsterdam, waarvan de vonnissen en arresten integraal aan het arrest van de Hoge Raad waren gehecht. Beide instanties hadden hun oordeel gegeven over de toepassing van artikel 6:272 lid 1 en Pro artikel 7:405 lid 2 BW Pro in relatie tot de ontbinding en afrekening.

De Hoge Raad overwoog dat de klachten van eiseres niet tot cassatie konden leiden en dat het niet nodig was om nadere rechtsvragen te beantwoorden. Het principaal cassatieberoep werd verworpen en het voorwaardelijk incidenteel beroep kwam daardoor niet aan de orde. De Hoge Raad bevestigde hiermee de eerdere rechtspraak dat bij ontbinding van een overeenkomst van opdracht de afrekening kan plaatsvinden op basis van het gebruikelijke loon, ook als dat hoger is dan het oorspronkelijk overeengekomen loon.

De Hoge Raad veroordeelde eiseres tot betaling van de kosten van het cassatiegeding en sprak het arrest uit op 23 mei 2014.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat afrekening bij ontbinding op basis van het gebruikelijke hogere loon mag plaatsvinden.

Uitspraak

23 mei 2014
Eerste Kamer
nr. 13/02108
EV/LH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. H.J.W. Alt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 368792/HA ZA 07-1220 van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2007, 8 oktober 2008 en 2 december 2009;
b. de arresten in de zaak 200.053.330 van het gerechtshof Amsterdam van 28 februari 2012 en 29 januari 2013.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof van 28 februari 2012 en 29 januari 2013 heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerder] mede door mr. S. Kousedghi, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.

3.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 1.933,34 aan verschotten en
€ 2.200,-- voor salaris
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
23 mei 2014.