Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 oktober 2013, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage werd behandeld. De zaak betrof de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2006.
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en een conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling concludeerde de Hoge Raad dat de klachten van belanghebbende niet tot cassatie konden leiden. Volgens artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie behoefde dit geen nadere motivering omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat er geen gronden waren voor een veroordeling in proceskosten en wees het verzoek van belanghebbende tot restitutie van het griffierecht af. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en sprak het arrest uit op 23 mei 2014, gewezen door de vice-president Overgaauw en raadsheren Koopman en van Kalmthout.