In deze strafzaak stond de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding centraal, waarbij ook de wettelijke rente over het toegewezen bedrag werd gevorderd. Het hof had bepaald dat de wettelijke rente pas vanaf de datum van het arrest zou ingaan, terwijl de benadeelde partij betoogde dat de rente verschuldigd is vanaf het moment dat de schade is ontstaan.
De Hoge Raad overwoog dat op grond van de artikelen 6:162, 6:119 en 6:83 BW de verdachte aansprakelijk is voor de schade en zonder ingebrekestelling de wettelijke rente verschuldigd is vanaf het moment dat de schade is ingetreden. Het hof had dit miskend door de rente pas vanaf het arrest toe te kennen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor zover het de rente vanaf het arrest toewees en bepaalde dat de rente verschuldigd is vanaf de data waarop de schadebedragen daadwerkelijk van de bankrekening van de benadeelde partij zijn afgeschreven. Het beroep van de verdachte werd voor het overige verworpen.