Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
21 januari 2014.
Hoge Raad
De verdachte was bij arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld en stelde beroep in cassatie in. Na een eerdere niet-ontvankelijkverklaring wegens het ontbreken van middelen van cassatie, stelde verdachte opnieuw cassatiemiddelen voor binnen een nieuwe termijn. De Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.
De Hoge Raad beoordeelde het procesverloop en oordeelde dat de verdachte, gelet op artikel 78, vijfde lid van het Wetboek van Rechtsvordering in verbinding met artikel 427 van Pro het Wetboek van Strafvordering, niet ontvankelijk kon worden verklaard in het onderhavige cassatieberoep.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, waarbij de verdachte definitief niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn cassatieberoep.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep.