Uitspraak
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Leeuwardenvan 13 november 2012, nr. 11/00301OB, betreffende een aan
Stichting [X]te [Z] (hierna: belanghebbende) op aangifte voldaan bedrag aan omzetbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende, een woningcorporatie, had in 2009 zowel huurwoningen verhuurd als een aantal daarvan verkocht. De omzet uit deze verkoop bedroeg ruim 16 miljoen euro. De vraag was of deze verkoopomzet moest worden meegenomen in de pro-rata-berekening voor aftrek van omzetbelasting over algemene kosten.
De Rechtbank verklaarde het bezwaar van belanghebbende ongegrond, maar het Gerechtshof Leeuwarden vernietigde deze uitspraak en gaf belanghebbende gelijk. De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen cassatieberoep in.
De Hoge Raad overwoog dat volgens artikel 14 van Pro de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 en de relevante Europese BTW-richtlijn de verkoop van gebruikte investeringsgoederen die niet onlosmakelijk verbonden is met de gebruikelijke economische activiteiten van de onderneming, niet in de pro-rata-berekening wordt betrokken. Het Hof had terecht geoordeeld dat de verkoop van de huurwoningen niet als een noodzakelijk verlengstuk van de verhuuractiviteiten kon worden gezien.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten. Hiermee blijft het oordeel van het Hof in stand dat de verkoopomzet niet in de pro-rata-berekening wordt opgenomen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof bekrachtigd.