ECLI:NL:HR:2014:1315

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 juni 2014
Publicatiedatum
5 juni 2014
Zaaknummer
12/05835
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.A.C.A. Overgaauw
  • D.G. van Vliet
  • C.B. Bavinck
  • E.N. Punt
  • L.F. van Kalmthout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Wet OBArt. 14 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968Art. 174 lid 2 BTW-richtlijn 2006
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitsluiting verkoop huurwoningen uit pro-rata berekening omzetbelasting

Belanghebbende, een woningcorporatie, had in 2009 zowel huurwoningen verhuurd als een aantal daarvan verkocht. De omzet uit deze verkoop bedroeg ruim 16 miljoen euro. De vraag was of deze verkoopomzet moest worden meegenomen in de pro-rata-berekening voor aftrek van omzetbelasting over algemene kosten.

De Rechtbank verklaarde het bezwaar van belanghebbende ongegrond, maar het Gerechtshof Leeuwarden vernietigde deze uitspraak en gaf belanghebbende gelijk. De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen cassatieberoep in.

De Hoge Raad overwoog dat volgens artikel 14 van Pro de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 en de relevante Europese BTW-richtlijn de verkoop van gebruikte investeringsgoederen die niet onlosmakelijk verbonden is met de gebruikelijke economische activiteiten van de onderneming, niet in de pro-rata-berekening wordt betrokken. Het Hof had terecht geoordeeld dat de verkoop van de huurwoningen niet als een noodzakelijk verlengstuk van de verhuuractiviteiten kon worden gezien.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten. Hiermee blijft het oordeel van het Hof in stand dat de verkoopomzet niet in de pro-rata-berekening wordt opgenomen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof bekrachtigd.

Uitspraak

6 juni 2014
nr. 12/05835
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Leeuwardenvan 13 november 2012, nr. 11/00301OB, betreffende een aan
Stichting [X]te [Z] (hierna: belanghebbende) op aangifte voldaan bedrag aan omzetbelasting.

1.Het geding in feitelijke instanties

Belanghebbende heeft over het tijdvak december 2009 op aangifte een bedrag aan omzetbelasting voldaan. Belanghebbende heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt en verzocht om teruggaaf, aan welk verzoek bij uitspraak van de Inspecteur is tegemoetgekomen.
De Rechtbank te Leeuwarden (nr. AWB 10/1531) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep bij de Rechtbank gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de Inspecteur gelast een aanvullende teruggaaf van de op aangifte voldane belasting te verlenen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 30 oktober 2013 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van de middelen

3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Belanghebbende is een op grond van artikel 70 van Pro de Woningwet toegelaten instelling (woningcorporatie). De bedrijfsactiviteiten van belanghebbende bestaan uit het verhuren van woningen en het ontwikkelen van woonprojecten. In het kader van dit laatste laat belanghebbende nieuwe woningen bouwen, die zijn bestemd voor de verhuur dan wel de verkoop.
3.1.2.
In het onderwerpelijke jaar (2009) verhuurde belanghebbende 15.990 woningen. Belanghebbende heeft in 2009 131 door haar voorheen verhuurde woningen verkocht. De totale omzet van de verkoop van deze woningen bedroeg € 16.874.155.
3.1.3.
In 2009 heeft belanghebbende negen woonprojecten gerealiseerd. Zij heeft in dat jaar 114 nieuwe, aan haar opgeleverde woningen verkocht. Aan het einde van dat jaar waren 10 projecten nog in uitvoering en 11 projecten in voorbereiding.
3.1.4.
De totale omzet van belanghebbende bedroeg in 2009 € 115.598.324 (excl. omzetbelasting), waarvan € 19.806.113 toe te rekenen aan belaste prestaties, en € 95.792.211 aan vrijgestelde prestaties.
3.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat op grond van artikel 14 van Pro de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (hierna: de Beschikking) bij het berekenen van de voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting die aan belanghebbende in rekening is gebracht ter zake van algemene kosten, geen rekening hoeft te worden gehouden met de omzet die is behaald met de hiervoor in 3.1.2 vermelde verkoop van woningen.
De middelen verzetten zich met rechts- en motiveringsklachten tegen dit oordeel van het Hof.
3.3.1.
Op grond van artikel 14 van Pro de Beschikking wordt het afstoten van goederen die de ondernemer in zijn bedrijf heeft gebruikt, niet beschouwd als een handeling die voor de berekening van de aftrek van aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting in aanmerking wordt genomen. Met dit artikel is uitvoering gegeven aan artikel 174, lid 2, letter a, van BTW-richtlijn 2006 (voorheen artikel 19, lid 2, eerste volzin, van de Zesde richtlijn).
3.3.2.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 6 maart 2008, Nordania Finans A/S en BG Factoring A/S, C-98/07, ECLI:EU:C:2008:144, BNB 2008/219, punt 25, geoordeeld dat het begrip ‘investeringsgoederen welke door de belastingplichtige in het kader van zijn onderneming worden gebruikt’ in de zin van artikel 19, lid 2, eerste volzin, van de Zesde richtlijn niet omvat in het bedrijf gebruikte investeringsgoederen waarvan de verkoop voor de belastingplichtige een gebruikelijke economische activiteit vormt, in die zin dat de verwerving en vervolgens de verkoop van dergelijke goederen het gewone gebruik van goederen en diensten met een gemengde bestemming noodzakelijk maakt.
Dit betekent dat de verkoop van in het bedrijf gebruikte goederen alleen dan is uitgezonderd van de toepassing van artikel 174, lid 2, letter a, van BTW-richtlijn 2006 en daarmee van artikel 14 van Pro de Beschikking, indien deze verkoop onlosmakelijk is verbonden met de gebruikelijke economische activiteiten van de onderneming oftewel een noodzakelijk verlengstuk daarvan vormen.
3.3.3.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende de door haar verhuurde woningen niet per definitie afstoot na een vooraf ingecalculeerde gebruiksduur en dat verkoop van deze woningen evenmin een onvermijdbare activiteit vormt. Het Hof heeft aan dit een en ander de gevolgtrekking verbonden dat ter zake van de verkoop van de voorheen verhuurde woningen artikel 14 van Pro de Beschikking toepassing mist. In deze oordelen ligt besloten het oordeel van het Hof dat de verkoop van de huurwoningen op zichzelf staat en niet een noodzakelijk verlengstuk is geweest van de desbetreffende bedrijfsactiviteit van belanghebbende, te weten verhuur van woningen.
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.2 is overwogen, geven ’s Hofs oordelen geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Deze oordelen kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De middelen falen derhalve.

4.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1826,25 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, C.B. Bavinck, E.N. Punt en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2014.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 466.