Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Uden,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.De prejudiciële procedure
3.Beantwoording van prejudiciële vraag
4.Beslissing
6 juni 2014.
Hoge Raad
In deze prejudiciële procedure heeft de Hoge Raad de vraag beantwoord of de loonaanspraak van een zieke werknemer geheel vervalt als hij passende arbeid weigert, ook over het deel van de werktijd waarvoor hij arbeidsongeschikt is. De zaak betreft een werknemer die sinds november 2006 bij CSU Personeel B.V. werkte en zich in juli 2009 arbeidsongeschikt meldde. De bedrijfsarts adviseerde in december 2009 gedeeltelijke inzetbaarheid, waarna de werkgever de loondoorbetaling stopzette.
De kantonrechter stelde de prejudiciële vraag aan de Hoge Raad over de uitleg van artikel 7:629 lid 3 sub c BW Pro, met name de betekenis van de woorden “voor de tijd, gedurende welke”. De Hoge Raad overwoog dat deze woorden in lid 3 sub c BW moeten worden uitgelegd als de periode waarin de werknemer weigert passende arbeid te verrichten, met als gevolg dat de loonaanspraak geheel vervalt, ook voor het deel van de werktijd waarvoor de werknemer arbeidsongeschikt is.
De Hoge Raad baseerde zich op de tekst van de wet, de parlementaire geschiedenis en de strekking van de loonsanctie, die is bedoeld om de werknemer te stimuleren tot re-integratie. Wel erkende de Hoge Raad dat onder omstandigheden het toepassen van deze sanctie onaanvaardbaar kan zijn op grond van redelijkheid en billijkheid, maar dat dit niet automatisch geldt bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. De prejudiciële vraag werd aldus beantwoord en de kosten van de procedure werden aan de zijde van de eiser begroot.
Uitkomst: De loonaanspraak vervalt geheel bij weigering passende arbeid, ook voor het deel van de werktijd waarvoor de werknemer arbeidsongeschikt is.