De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage in een strafzaak tegen een verdachte die als exploitant van een slachthuis werd vervolgd wegens het onttrekken van destructiemateriaal.
Het hof sprak de verdachte vrij van enkele tenlasteleggingen, maar verklaarde haar schuldig aan het onttrekken van varkens die door de keuringsdierenarts waren afgekeurd. De bewijsvoering steunde op verklaringen van de keuringsdierenarts en proces-verbalen van de Algemene Inspectiedienst.
De verdediging stelde dat het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege de inzet van een niet-opsporingsambtenaar (de dierenarts) bij de opsporing en een overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad oordeelde dat de dierenarts als toezichthouder namens de Voedsel en Waren Autoriteit bevoegd was tot het nemen van monsters en het uitoefenen van controlebevoegdheden, ook nadat een verdenking was gerezen, mits de waarborgen voor de verdachte werden gerespecteerd.
De heimelijke monsternemingen door de dierenarts op verzoek van de Algemene Inspectiedienst en met instemming van de Officier van Justitie maakten de inzet niet onrechtmatig. De Hoge Raad vond geen grond voor niet-ontvankelijkheid van het OM. Wel werd de geldboete verminderd van €12.000 naar €10.800 wegens overschrijding van de redelijke termijn volgens het EVRM.
De Hoge Raad vernietigde het arrest slechts voor wat betreft de hoogte van de geldboete en verwierp het beroep voor het overige.