ECLI:NL:HR:2014:1376

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juni 2014
Publicatiedatum
12 juni 2014
Zaaknummer
13/00282
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 168 BTW-richtlijn 2006Art. 184 BTW-richtlijn 2006Art. 187 BTW-richtlijn 2006Art. 11 Wet OBArt. 15 Wet OB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt herziening omzetbelasting bij leegstand kantoorpand na vrijgestelde verhuur

Belanghebbende, een ondernemer die een kantoorpand liet bouwen en dit aanvankelijk vrijgesteld verhuurde, stelde dat de omzetbelasting die hij in 2003 had voldaan, moest worden herzien toen het pand vanaf 1 augustus 2008 leeg kwam te staan en niet meer vrijgesteld werd verhuurd.

De Inspecteur legde een naheffingsaanslag op omdat hij van mening was dat geen recht op herziening bestond. De Rechtbank te Arnhem oordeelde echter dat belanghebbende recht had op herziening van een deel van de omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2010.

De Staatssecretaris stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat de beëindiging van de vrijgestelde verhuur en de daaropvolgende leegstand, met het voornemen tot belaste verhuur, een wijziging van het recht op aftrek van omzetbelasting meebrengt. Hierdoor is herziening van de eerder in aftrek gebrachte omzetbelasting gerechtvaardigd.

Het incidentele beroep van belanghebbende werd niet behandeld omdat het geen gunstiger resultaat zou opleveren. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de herziening van de omzetbelasting terecht is toegepast na het beëindigen van de vrijgestelde verhuur en leegstand van het kantoorpand.

Uitspraak

13 juni 2014
nr. 13/00282
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van de
Rechtbank te Arnhemvan 6 december 2012, nr. AWB 11/4103, betreffende een aan
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1.Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 oktober 2010 tot en met 31 december 2010 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, en de uitspraak op bezwaar alsmede de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft het incidentele beroep beantwoord.
De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 28 januari 2014 geconcludeerd tot het schorsen van het geding en het aan het Hof van Justitie van de Europese Unie verzoeken om een prejudiciële beslissing.

3.Uitgangspunten in cassatie

3.1.
Belanghebbende is ondernemer in de zin van artikel 7 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Hij heeft een kantoorpand (hierna: het pand) laten bouwen dat in 2003 aan hem is opgeleverd. De ter zake van de bouw van het pand aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting heeft belanghebbende in aftrek gebracht.
3.2.
Belanghebbende heeft aansluitend op de oplevering het pand met vrijstelling van omzetbelasting verhuurd. In verband met de vrijgestelde verhuur heeft hij vanwege het bepaalde in artikel 3, lid 1, aanhef en letter h (oud), van de Wet in 2003 een bedrag van € 294.162 aan omzetbelasting op aangifte voldaan.
3.3.
Met ingang van 1 augustus 2008 is de hiervoor in 3.2 bedoelde verhuur geëindigd. Daarna heeft het pand tot en met 30 juni 2011 leeggestaan. Gedurende deze periode had belanghebbende het voornemen het pand belast te verhuren.
3.4.
Belanghebbende heeft zich bij het doen van zijn aangifte omzetbelasting voor het vierde kwartaal van 2010 op het standpunt gesteld dat de hiervoor in 3.2 vermelde omzetbelasting moet worden herzien. In verband daarmee heeft hij een bedrag van € 29.416 als voorbelasting in aanmerking genomen. Op grond van deze aangifte is aan belanghebbende een teruggaaf verleend.
3.5.
De Inspecteur heeft zich naar aanleiding van een boekenonderzoek bij belanghebbende op het standpunt gesteld dat belanghebbende geen recht had op herziening en aan belanghebbende de onderwerpelijke naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd.

4.Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

4.1.
De Rechtbank heeft geoordeeld - onder verwijzing naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 oktober 2012, TETS Haskovo AD, C-234/11, ECLI:EU:C:2012:644, V-N 2012/56.13, en van 30 maart 2006, Uudenkaupungin Kaupunki, C-184/04, ECLI:EU:C:2006:214, V-N 2006/18.25 - dat belanghebbende op grond van de herzieningsregels zoals neergelegd in artikel 13, lid 2, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (hierna: de Uitvoeringsbeschikking) in samenhang gelezen met artikel 15, lid 1, van de Wet en de artikelen 168, 184 en 187 van BTW-richtlijn 2006 voor het jaar 2010 recht heeft op aftrek van 1/10 gedeelte van het hiervoor in 3.2 vermelde bedrag aan omzetbelasting.
4.2.
Het middel richt zich met een rechtsklacht tegen het hiervoor in 4.1 weergegeven oordeel van de Rechtbank.
4.3.
Het middel faalt. Zoals hiervoor in 3.3 is weergegeven is de vrijgestelde verhuur van het pand beëindigd en is het pand niet aansluitend verhuurd noch anderszins voor bedrijfsdoeleinden in gebruik geweest, terwijl het wel bestemd was om voor bedrijfsdoeleinden te worden gebruikt. Voorts ligt in de hiervoor in 3.3 vermelde feiten besloten dat belanghebbende niet het voornemen had het pand in de toekomst voor niet-belaste handelingen te gebruiken. Onder deze omstandigheden moet, naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, – zoals ook het geval is bij niet-gebruik voorafgaande aan de eerste ingebruikneming (vgl. onderdeel 5.4 van de conclusie van de Advocaat-Generaal) - ervan worden uitgegaan dat vanaf het tijdstip van de beëindiging van de verhuur sprake is van (voorgenomen) gebruik voor belaste handelingen. Dit brengt mee dat de onderwerpelijke beëindiging van de vrijgestelde verhuur een omstandigheid is die leidt tot de wijziging van het recht op aftrek in de zin van de artikelen 184 en 187, lid 2, tweede alinea, van BTW-richtlijn 2006 en mitsdien tot herziening van de aftrek bedoeld in artikel 13, lid 2, van de Uitvoeringsbeschikking.

5.Het incidentele beroep

Aangezien het incidentele beroep niet strekt tot verkrijging van een voor belanghebbende gunstiger resultaat dan reeds uit ’s Hofs uitspraak voortvloeit, is dat beroep kennelijk alleen ingesteld voor het geval het principale beroep tot vernietiging van ’s Hofs uitspraak zou leiden. Dat geval doet zich niet voor, zodat het incidentele beroep geen behandeling behoeft.

6.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

7.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het principale beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1461 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2014.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 478.