In deze prejudiciële procedure stelde de kantonrechter de vraag aan de Hoge Raad of telefoonabonnementen waarbij een mobiele telefoon gratis wordt verstrekt, moeten worden aangemerkt als koop op afbetaling, krediettransactie (voor 25 mei 2011) of kredietovereenkomst (vanaf 25 mei 2011).
De Hoge Raad analyseerde de wettelijke regelingen omtrent koop op afbetaling (art. 7A:1576 BW), de oude Wet op het consumentenkrediet (Wck) en de nieuwe regeling in Boek 7 BW. De strekking van de overeenkomst, en niet de vormgeving of benaming, is daarbij bepalend. De bescherming van de consument staat centraal, waarbij wordt aangenomen dat de maandelijkse betalingen mede een vergoeding voor de mobiele telefoon bevatten.
De Hoge Raad oordeelt dat een telefoonabonnement inclusief toestel in beginsel kwalificeert als koop op afbetaling en kredietovereenkomst, tenzij de aanbieder kan aantonen dat de abonnementskosten niet mede strekken tot afbetaling van het toestel. Tevens is een uitzondering mogelijk voor zogenoemd 'zacht krediet' zonder rente en kosten vanaf 25 mei 2011. De Hoge Raad wijst erop dat de rechtsvormende taak van de rechter niet toelaat om op basis van mogelijke nadelige gevolgen voor aanbieders generieke uitzonderingen te maken.
De uitspraak bevestigt de consumentenbeschermende strekking van de wetgeving en verduidelijkt de kwalificatie van dergelijke abonnementen in het licht van Europese richtlijnen en nationale wetgeving.