ECLI:NL:HR:2014:1412

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juni 2014
Publicatiedatum
13 juni 2014
Zaaknummer
14/00228
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring cassatieberoep tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 2006

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 4 december 2013 betreffende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2006, inclusief de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en een boetebeschikking.

De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit was omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie konden leiden.

Gelet op artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2014.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of kansloze klachten.

Uitspraak

13 juni 2014
nr. 14/00228
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 4 december 2013, nr. BK-12/00767, betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2006 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage ingevolge de Zorgverzekeringswet alsmede de daarbij gegeven boetebeschikking.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2014.