Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
17 juni 2014.
Hoge Raad
De aanvrager verzocht om herziening van een arrest waarin hij was veroordeeld voor meervoudige verkrachting en mishandeling. De aanvraag was gebaseerd op een nieuw gegeven dat de moeder van het slachtoffer onder druk zou zijn gezet door haar partner om een valse verklaring af te leggen, met als motief de partner van het slachtoffer te benadelen.
De Hoge Raad beoordeelde of dit nieuwe gegeven een ernstig vermoeden kon wekken dat het oorspronkelijke onderzoek tot een vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of minder zware straf zou hebben geleid. Het hof was reeds bekend met de stelling dat de aangifte vals zou zijn, en het nieuwe bewijs bestond uit een schriftelijke verklaring van de moeder, een briefje van haar partner aan het slachtoffer en een proces-verbaal van een aangifte wegens laster.
De Hoge Raad oordeelde dat het briefje nietszeggend was en de verklaring van de moeder onwaarschijnlijk, zodat het nieuwe bewijs niet het vereiste ernstige vermoeden wekte. Daarom werd de aanvraag tot herziening en het verzoek om het horen van de moeder als getuige afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens onvoldoende ernstig vermoeden.