Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel en het vierde middel
4.Beoordeling van de overige middelen
5.Beslissing
17 juni 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag over een verzoek tot uitlevering van een persoon aan Rwanda. De Hoge Raad beoordeelt of de uitlevering toelaatbaar is, ondanks het ontbreken van een specifiek uitleveringsverdrag tussen Nederland en Rwanda.
De Hoge Raad oordeelt dat het Genocideverdrag tussen beide landen een voldoende verdragsrelatie vormt en dat het vertrouwensbeginsel geldt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de garanties in het uitleveringsverzoek een eerlijk proces in Rwanda waarborgen, inclusief het recht op hoger beroep. De enkele omstandigheid dat het recht op een eerlijk proces niet in een uitleveringsverdrag is vastgelegd, sluit het vertrouwensbeginsel niet uit.
Verder stelt de Hoge Raad dat de rechter alleen de uitlevering kan weigeren als er een reëel en ernstig risico is op een flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank heeft onvoldoende concrete aanwijzingen gevonden dat dit risico zich voordoet. Ook de politieke situatie in Rwanda en eerdere processen bieden geen voldoende grond voor een weigering.
De Hoge Raad bevestigt daarmee het oordeel van de rechtbank en wijst het cassatieberoep af. Hiermee blijft de uitlevering aan Rwanda mogelijk onder de gegeven voorwaarden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan Rwanda blijft toelaatbaar.