Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
17 juni 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor mishandeling van zijn moeder, waarbij de verklaring van de aangeefster zonder beëdigde tolk in de Marokkaanse taal was opgenomen. De verdediging stelde bewijsuitsluiting voor vanwege het ontbreken van een beëdigde tolk.
Het hof oordeelde dat het verhoor in een taal die zowel de aangeefster als een van de verbalisanten voldoende beheersen, toelaatbaar is. Het hof vond geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring, mede gelet op het letsel van de aangeefster en het feit dat de verdachte ter plaatse met een staaf werd aangetroffen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat artikel 28 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers niet vereist dat altijd een beëdigde tolk aanwezig moet zijn bij verhoren van personen die de Nederlandse taal onvoldoende beheersen. Het beroep van de verdachte werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat de verklaring zonder beëdigde tolk als bewijs mocht dienen.