Uitspraak
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 11 oktober 2012, nr. 11/00760, betreffende uitnodigingen tot betaling van douanerechten.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft tussen november 2004 en juli 2006 elf invoeraangiften gedaan voor bevroren knoflook, die door de douane zijn afgehandeld, deels zonder controle. Later stelde de Inspecteur dat de knoflook niet bevroren was maar gekoeld, waardoor een hoger douanetarief van toepassing was, en sommeerde navordering van douanerechten.
Belanghebbende maakte bezwaar op grond van artikel 220 lid 2 letter Pro b van het CDW, dat navordering niet is toegestaan indien de douane zelf een vergissing maakte die de belanghebbende niet kon ontdekken en te goeder trouw was. Het hof vernietigde de aanslagen voor twee aangiften waarbij de douane een vergissing had gemaakt, maar verwierp het beroep voor de overige aangiften, stellende dat een vergissing bij één aangifte niet doorwerkt naar latere aangiften.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft onderzocht of de verschillende handelingen van de douane in samenhang een vergissing vormen die het gewettigd vertrouwen van belanghebbende rechtvaardigt. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor verdere beoordeling met inachtneming van deze overwegingen.
De Hoge Raad bevestigt dat het begrip vergissing in artikel 220 lid 2 letter Pro b CDW ruim moet worden uitgelegd en dat meerdere actieve gedragingen van de douane samen het vertrouwen kunnen wekken dat navordering uitsluit. De uitspraak benadrukt het belang van het toetsen van het gewettigd vertrouwen aan de concrete feiten en omstandigheden van het geval.
Tot slot veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris in de proceskosten van het cassatieberoep en gelast vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak terugverwezen voor verdere beoordeling.