Uitspraak
,nummer RK 12/5671
,op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
1 juli 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stond het verschoningsrecht van een notaris centraal in het kader van een inbeslagneming van stukken tijdens een strafrechtelijk onderzoek naar valsheid in geschrifte. De rechter-commissaris had stukken meegenomen ter nadere beoordeling, wat door de notaris werd betwist vanwege het verschoningsrecht. De rechtbank had het klaagschrift van de notaris ongegrond verklaard en geoordeeld dat zeer uitzonderlijke omstandigheden het belang van waarheidsvinding zwaarder lieten wegen dan het verschoningsrecht.
De Hoge Raad bevestigt dat de rechter-commissaris, op grond van een voorlopig oordeel dat stukken kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding, deze stukken mag inzien, ook indien dit noodzakelijk is om het standpunt van de verschoningsgerechtigde te beoordelen. Dit betekent geen inbreuk op het verschoningsrecht zolang het standpunt van de verschoningsgerechtigde geëerbiedigd wordt, tenzij redelijkerwijs vaststaat dat dit onjuist is.
De Hoge Raad oordeelt verder dat de beslissing van de rechtbank om het klaagschrift ongegrond te verklaren voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk is. De zeer ernstige verdenking van valsheid in geschrifte raakt de kern van het notariaat en rechtvaardigt het prevaleren van het belang van waarheidsvinding boven het verschoningsrecht. Het beroep van de notaris wordt verworpen.
Deze uitspraak benadrukt de balans tussen het verschoningsrecht van notarissen en het belang van waarheidsvinding bij ernstige strafbare feiten, waarbij de rechter-commissaris een centrale rol speelt in de beoordeling van uitzonderlijke omstandigheden.
Uitkomst: Het beroep van de notaris wordt verworpen en het verschoningsrecht wijkt voor het belang van waarheidsvinding onder zeer uitzonderlijke omstandigheden.