Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
8 juli 2014.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin geen beslissing is genomen over de teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen. De klacht richt zich op het vermeende verzuim van het hof om op grond van artikel 353 Sv Pro een beslissing te nemen over deze voorwerpen.
De Hoge Raad overweegt dat de klacht geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat de verdachte onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Dit volgt uit artikel 552a, derde lid, Sv, dat de verdachte binnen drie maanden na het einde van de vervolging de mogelijkheid biedt om schriftelijk bij het hof te klagen over het uitblijven van een last tot teruggave van de voorwerpen.
De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot vernietiging van het arrest voor zover geen beslissing was genomen over de teruggave, maar de Hoge Raad sluit zich hier niet bij aan en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting op 8 juli 2014.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang van de verdachte.