ECLI:NL:HR:2014:1631

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juli 2014
Publicatiedatum
9 juli 2014
Zaaknummer
13/03869
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing arbeidsongeschiktheidspensioen wegens niet voldoen aan pensioenreglement

In deze zaak vordert een voormalig werknemer toekenning van een arbeidsongeschiktheidspensioen op grond van het pensioenreglement van Stichting Pensioenfonds ING. De werknemer stelt dat ondanks het niet voldoen aan de formele voorwaarden van het reglement, op grond van redelijkheid en billijkheid een afwijking gerechtvaardigd is.

De feiten en eerdere rechtspraak tonen aan dat de werknemer niet voldeed aan de vereisten die het pensioenreglement stelt voor het verkrijgen van het arbeidsongeschiktheidspensioen. Zowel de kantonrechter als het gerechtshof hebben het verzoek van de werknemer afgewezen. Het hof oordeelde dat het pensioenreglement bindend is en dat de redelijkheid en billijkheid geen derogerende werking hebben in dit geval.

De werknemer stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof. De Hoge Raad heeft het beroep verworpen, waarbij werd overwogen dat de klachten van de werknemer niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad bevestigt hiermee de eerdere uitspraken en veroordeelt de werknemer in de kosten van het geding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de voormalige werknemer krijgt geen arbeidsongeschiktheidspensioen toegekend.

Uitspraak

11 juli 2014
Eerste Kamer
nr. 13/03869
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij,
t e g e n
STICHTING PENSIOENFONDS ING,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. D.M. de Knijff.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Stichting.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 982353/10-22235 van de kantonrechter te ’s-Gravenhage van 6 april 2011;
b. de arresten in de zaak 200.093.696/01 van het gerechtshof Den Haag van 25 oktober 2011 en 2 april 2013.
Het arrest van het hof van 2 april 2013 is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 2 april 2013 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Stichting heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor de Stichting toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op € 818,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
11 juli 2014.