Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde en het vierde middel
3.Beoordeling van het vijfde middel
4.Slotsom
8 juli 2014.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf, met vermindering daarvan, en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden, behalve het middel dat klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in cassatie. De stukken waren te laat door het hof ingezonden en meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Hierdoor was de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro overschreden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen maanden (waarvan zes maanden voorwaardelijk) tot acht maanden en drie weken, met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot acht maanden en drie weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.