ECLI:NL:HR:2014:1653

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2014
Publicatiedatum
10 juli 2014
Zaaknummer
12/02388
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie

De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf, met vermindering daarvan, en verwerping van het beroep voor het overige.

De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden, behalve het middel dat klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in cassatie. De stukken waren te laat door het hof ingezonden en meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.

Hierdoor was de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro overschreden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen maanden (waarvan zes maanden voorwaardelijk) tot acht maanden en drie weken, met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot acht maanden en drie weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

8 juli 2014
Strafkamer
nr. 12/02388
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 februari 2012, nummer 23/002820-09, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W. de Vries, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde en het vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het vijfde middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

4.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze acht maanden en drie weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 juli 2014.