ECLI:NL:HR:2014:1654

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juli 2014
Publicatiedatum
10 juli 2014
Zaaknummer
13/03609
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 3.153 lid 1 Wet inkomstenbelasting 2001
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake inkomstenbelastingaanslagen 2004 en 2005

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 13 juni 2013, waarin het hof het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Haarlem inzake aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2004 en 2005 behandelde.

De Hoge Raad ontving twee middelen van belanghebbende en een verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën. Na beoordeling concludeerde de Hoge Raad dat de middelen niet tot cassatie konden leiden, aangezien zij geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad zag daarom geen aanleiding tot nadere motivering en wees het cassatieberoep af. Tevens werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president Overgaauw als voorzitter, samen met raadsheren Koopman en van Kalmthout, op 11 juli 2014.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

11 juli 2014
Nr. 13/03609
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 13 juni 2013, nrs. 11/00064 en 11/00065, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nrs. 10/839 en 10/5466) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2004 en 2005 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking als bedoeld in artikel 3.153, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2014.