Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
11 juli 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoeker die toelating tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) heeft aangevraagd. Zowel de rechtbank Noord-Nederland als het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hebben de toelating geweigerd op grond van het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan van de schulden, zoals bedoeld in artikel 288 lid 1 sub b van Pro de Faillissementswet.
De verzoeker heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad volgt dit advies en oordeelt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie, mede omdat deze geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.
De Hoge Raad bevestigt daarmee de eerdere beslissingen en wijst het beroep af. De weigering van toelating tot de WSNP blijft daarmee in stand, waarbij ook de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro niet van toepassing wordt verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de weigering van toelating tot de WSNP blijft gehandhaafd.