Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 20 juni 2013, nr. 12/00539, betreffende de toekenning van een proceskostenvergoeding.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie behandeld dat was ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 juni 2013, betreffende de toekenning van een proceskostenvergoeding.
De Hoge Raad heeft beoordeeld dat de middelen die in cassatie waren voorgesteld geen behandeling rechtvaardigen. Dit omdat de partij die het cassatieberoep had ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het beroep of omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie konden leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is op 31 januari 2014 in het openbaar uitgesproken door raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon en Th. Groeneveld.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of gebrek aan cassatiegronden.