Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
7 januari 2014.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden was opgelegd.
De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en het cassatieberoep meer dan zestien maanden duurde. Dit leidde tot een strafvermindering.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en verlaagde de gevangenisstraf tot vier jaar en drie maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. Er waren geen andere gronden voor vernietiging.
De uitspraak werd gedaan door raadsheren J. de Hullu (voorzitter), Y. Buruma en V. van den Brink, op 7 januari 2014.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van vier jaar en zes maanden naar vier jaar en drie maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.