Belanghebbende exploiteert een pluimveebedrijf en kreeg voor het jaar 2000 naheffingsaanslagen opgelegd in de verfijnde fosfaat- en stikstofheffing, inclusief boetes. De naheffingsaanslagen werden gehandhaafd na bezwaar en onherroepelijke uitspraken van de rechtbank en het hof. De directeur van belanghebbende werd veroordeeld voor valsheid in geschrifte met betrekking tot afleveringsbewijzen die mesttransporten naar het buitenland moesten bewijzen.
Het hof oordeelde dat belanghebbende niet voldeed aan administratieve verplichtingen en ging uit van de strafrechtelijke bewezenverklaring van valsheid in geschrifte. De Hoge Raad stelde echter dat het hof zich zelfstandig had moeten vergewissen van de juistheid van deze stelling, omdat belanghebbende de valsheid gemotiveerd betwistte.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling. Tevens benadrukte de Hoge Raad dat bij het ontbreken van een wettelijk correct afleveringsbewijs de bewijslast niet kan worden omgekeerd of verzwaard. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep.