De zaak betreft de uitleg van een particuliere aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering die onderdeel uitmaakt van een algemeen verbindend verklaarde cao in de metaal- en technieksector. [Eiser] was werkzaam als heftruckchauffeur en ontving vanaf 1998 een WAO-uitkering en een aanvullende uitkering op basis van een collectieve verzekering via zijn werkgever. Na intrekking van zijn WAO-uitkering in 2003 wegens afname van arbeidsongeschiktheid, werd de aanvullende uitkering door Schade N.V. beëindigd.
In 2006 werd aan [eiser] opnieuw een WAO-uitkering toegekend op grond van art. 43a lid 1 WAO, dat voorziet in hernieuwde toekenning bij arbeidsongeschiktheid voortkomend uit dezelfde oorzaak binnen vijf jaar na intrekking. [Eiser] vorderde dat de aanvullende uitkering vanaf die datum weer zou worden toegekend. Zowel rechtbank als hof wezen de vorderingen af, waarbij het hof oordeelde dat het uitkeringsreglement vereist dat de werknemer op het moment van hernieuwde toekenning verzekerd moet zijn via een werkgever in de metaal en techniek, wat hier niet het geval was.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het uitkeringsreglement niet voorziet in de situatie van tijdelijke onderbreking van de arbeidsongeschiktheid zoals bedoeld in art. 43a lid 1 WAO. De aanvullende verzekering eindigde bij beëindiging van de WAO-uitkering in 2003. De eis van verzekering via een werkgever op het moment van hernieuwde toekenning is doorslaggevend. De klacht over onvoldoende motivering van het hof inzake redelijkheid en billijkheid faalde omdat de onbillijkheid samenhing met het ontbreken van een vergelijkbare voorziening in de aanvullende verzekering door de werkgever.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde [eiser] in de kosten van het geding.