Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
4 februari 2014.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroep werd ingesteld door verdachte en ondersteund door zijn advocaat. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was.
Ambtshalve constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 21 maanden naar 19 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren in aanwezigheid van de griffier tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 21 naar 19 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.