Uitspraak
[X] N.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 10 januari 2014, nr. 13/01938, ECLI:NL:HR:2014:46.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft bij de Hoge Raad een verzoek tot herziening ingediend van het arrest van 10 januari 2014. De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht binnen een termijn van vier weken. Dit griffierecht is echter niet voldaan.
Vervolgens heeft de griffier belanghebbende bij brief in de gelegenheid gesteld om de redenen voor de termijnoverschrijding mee te delen. Belanghebbende heeft hier niet op gereageerd. De door belanghebbende eerder aangevoerde argumenten zijn onvoldoende om het verzuim te rechtvaardigen.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, tweede volzin, in verbinding met artikel 8:119, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het verzoek tot herziening daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten aan belanghebbende toe te rekenen en verklaart het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van griffierecht.