Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
4 februari 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof veroordeeld voor wederspannigheid en overtreding van artikel 2:1, tweede lid van de Algemene Plaatselijke Verordening 2010. Het hof legde een gecombineerde werkstraf op voor beide feiten samen. De verdachte stelde cassatie in tegen deze strafoplegging.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de feiten juist heeft gekwalificeerd, maar dat het op grond van artikel 62 Sr Pro verplicht was om voor elk feit een afzonderlijke straf op te leggen. De Hoge Raad leest de uitspraak van het hof dienovereenkomstig verbeterd in, waarbij de verdachte wordt veroordeeld tot veertig uur werkstraf voor wederspannigheid en twintig uur werkstraf voor de APV-overtreding, met subsidiariteit van respectievelijk twintig en tien dagen hechtenis.
De overige middelen van cassatie worden verworpen, omdat zij geen aanleiding geven tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep wordt uiteindelijk verworpen, waarmee de strafoplegging van het hof in aangepaste vorm standhoudt.
Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot twee afzonderlijke werkstraffen voor wederspannigheid en APV-overtreding, met subsidiariteit van hechtenis.