ECLI:NL:HR:2014:2575

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 september 2014
Publicatiedatum
2 september 2014
Zaaknummer
14/03140
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • A.J.A. van Dorst
  • J.P. Balkema
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 465 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid aanvraag herziening ontnemingsuitspraak

De Hoge Raad behandelde een aanvraag tot herziening van een ontnemingsuitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, waarbij aanvrager was veroordeeld tot betaling van een bedrag van €278.276 aan de Staat.

De aanvraag tot herziening werd beoordeeld aan de hand van de toepasselijke strafvorderlijke bepalingen. De Hoge Raad oordeelde dat de oplegging van een ontnemingsmaatregel niet gelijkstaat aan een veroordeling in de zin van artikel 457, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Daarom kon de aanvraag tot herziening niet worden ontvangen op grond van artikel 465, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad verklaarde de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk en wees de aanvraag af.

Het arrest werd gewezen door de vice-president van Dorst als voorzitter en de raadsheren Balkema en Ilsink, waarbij laatstgenoemden het arrest niet ondertekenden.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een veroordeling in de zin van art. 457 Sv.

Uitspraak

2 september 2014
Strafkamer
nr. 14/03140 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegane uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 februari 2011, nummer 23/002787-09, ingediend door mr. W.H. Boomstra, advocaat te Amsterdam, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 8 mei 2009 - de aanvrager de verplichting opgelegd om ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te voldoen een bedrag van € 278.276,-.

2.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3.Beoordeling van de aanvraag

De aanvraag zal niet tot herziening kunnen leiden, reeds omdat de oplegging van een ontnemingsmaatregel niet is een uitspraak houdende een veroordeling in de zin van art. 457, eerste lid, Sv. De aanvraag kan daarom - gelet op art. 465, eerste lid, Sv - niet worden ontvangen.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
2 september 2014.
Mrs. Balkema en Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.