Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het derde en het vierde middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het vijfde middel
5.Beslissing
16 september 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake het invoeren van ongeregistreerde farmaceutische specialiteiten in Nederland. De verdachte werd veroordeeld wegens het invoeren van diverse anabole steroïden zonder vergunning. De verdediging verzocht het hof prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van het verbod op invoer van ongeregistreerde geneesmiddelen in het licht van het EG-verdrag.
Het hof wees dit verzoek af, stellende dat het nationale verbod op invoer van ongeregistreerde geneesmiddelen gerechtvaardigd is op grond van de bescherming van de volksgezondheid en geen verboden handelsbeperking vormt onder artikel 28 EG Pro-verdrag. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en oordeelt dat het hof niet verplicht was prejudiciële vragen te stellen, omdat de toepassing van de nationale wetgeving verenigbaar is met het Europese recht.
Daarnaast werd een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase vastgesteld, maar gezien de aard van de opgelegde straf en de overschrijding werd daaraan geen rechtsgevolg verbonden. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie wordt afgewezen.