Uitspraak
wonende te [woonplaats], Spanje,
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
7 februari 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot herstel van gezamenlijk ouderlijk gezag, waarbij de man in cassatie is gegaan tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag. De Hoge Raad verwijst naar de eerdere uitspraken van de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof Den Haag voor het geding in feitelijke instanties.
Het cassatieberoep van de man werd ingediend zonder dat het verzoekschrift was ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, wat een vereiste is op grond van art. 426a lid 1 Rv. De Procureur-Generaal heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De man reageerde te laat en zonder tussenkomst van een advocaat, waardoor zijn reactie terzijde werd gelegd.
De Hoge Raad oordeelde dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege het ontbreken van de vereiste advocaatsondertekening. De beschikking werd op 7 februari 2014 in het openbaar uitgesproken door de vice-president E.J. Numann namens de raadsheren.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van advocaatsondertekening.