ECLI:NL:HR:2014:2699

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 september 2014
Publicatiedatum
18 september 2014
Zaaknummer
14/00371
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt boetebeschikkingen in belastingzaak Project Bank Zonder Naam

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin het hof de boeten in verband met de belastingaanslagen over de jaren 1995 tot en met 2005 en de vermogensbelasting over 1996 tot en met 2000 had verminderd tot 50% van de nagevorderde belasting, met inachtneming van gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof in het dictum ten onrechte de vermindering van de boeten niet tot uitdrukking had gebracht, terwijl de rechtbank boeten van 100% passend achtte en deze slechts met 5 tot 15% had verminderd wegens termijnoverschrijding. De overige middelen van belanghebbende werden verworpen omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest en de rechtbankuitspraak voor zover deze betrekking hadden op de boeten en verhogingen, en stelde de boeten vast op percentages variërend van 42,5% tot 47,5% afhankelijk van het jaar en de belastingsoort. Tevens werd de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van belanghebbende.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en stelt de boeten vast tussen 42,5% en 47,5%, met vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.

Uitspraak

19 september 2014
nr. 14/00371
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 11 december 2013, nrs. BK-11/00550 t/m BK-11/00565, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te ’s-Gravenhage (nrs. AWB 08/8451 IB/PVV, AWB 08/8453 IB/PVV, AWB 08/8454 VB, AWB 09/6650 IB/PVV, AWB 09/6651 IB/PVV, AWB 09/6653 IB/PVV tot en met AWB 09/6657 IB/PVV, AWB 09/6660 IB/PVV, AWB 09/6661 IB/PVV en AWB 09/6662 VB tot en met AWB 09/6665 VB) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1995 tot en met 2005 opgelegde belastingaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), de over de jaren 1996 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting (hierna: VB), de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
De bestreden belastingaanslagen, boeten en verhogingen (hierna samen: boeten) en beschikkingen inzake heffingsrente houden verband met het zogenoemde project Bank Zonder Naam.
2.2.1.
Het Hof heeft de boeten in het onderhavige geval verminderd in die zin dat het 50 percent van de nagevorderde belasting passend en geboden heeft geacht, behoudens de gevolgen wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof heeft in het dictum de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Hiertegen keert zich middel 1 van belanghebbende.
2.2.2.
Het middel slaagt. De Rechtbank heeft boeten van 100 percent passend en geboden geacht en heeft de boeten verminderd met 15 percent (IB/PVV 1995, VB 1996 en IB/PVV 2002) respectievelijk 5 percent (IB/PVV 1996 tot en met 2001, IB/PVV 2003 tot en met 2005 en VB 1997 tot en met 2000) in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Aangezien het Hof in het dictum van zijn uitspraak de uitspraak van de Rechtbank heeft bevestigd, is ten onrechte de hiervoor in 2.2.1 vermelde vermindering door het Hof van de boeten niet in het dictum van zijn uitspraak tot uitdrukking gebracht.
2.3.
De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (vgl. HR 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689, BNB 2014/137, en HR 2 mei 2014, nr. 13/04723, ECLI:NL:HR:2014:1032, BNB 2014/139).

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof wat betreft de verhogingen en boeten ter zake van de IB/PVV over de jaren 1995 tot en met 2005 en de VB over de jaren 1996 tot en met 2000,
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank in zoverre,
vernietigt de daarop betrekking hebbende uitspraken van de Inspecteur,
scheldt de verhogingen ter zake van de IB/PVV over het jaar 1995 en de VB over het jaar 1996 kwijt tot op 42,5 percent en die ter zake van de IB/PVV over de jaren 1996 en 1997 en de VB over de jaren 1997 en 1998 tot op 47,5 percent,
vermindert de boete ter zake van de IB/PVV over het jaar 2002 tot op 42,5 percent en de boeten ter zake van de IB/PVV over de jaren 1998 tot en met 2001 en 2003 tot en met 2005 en de VB over de jaren 1999 en 2000 tot op 47,5 percent,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 118, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1948 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2014.