Eiser kocht onroerende zaken in Roemenië op advies van een derde, maar werd uiteindelijk opgelicht. Vervolgens liet eiser via een Roemeense advocaat een strafrechtelijke aangifte opstellen tegen verweerster, een beëdigd tolk, die eiser zou hebben bedrogen. De aangifte werd ingediend bij Roemeense autoriteiten, maar het Openbaar Ministerie seponeerde de zaak.
Verweerster vorderde schadevergoeding wegens onrechtmatige aangifte, die door de rechtbank werd afgewezen. Het hof vernietigde dit vonnis en veroordeelde eiser tot betaling van € 5.000 immateriële schadevergoeding, omdat eiser onzorgvuldig had gehandeld door een in het Roemeens opgestelde aangifte te ondertekenen zonder deze inhoud goed te controleren.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat eiser een zorgplicht had om de inhoud van de aangifte te verifiëren, ook al sprak hij de taal niet. De Hoge Raad oordeelde dat de onrechtmatigheid van de aangifte niet alleen afhangt van kennis van de ongegrondheid, maar ook van de zorgvuldigheid bij het indienen. Tevens werd bevestigd dat de aantasting van eer en goede naam ook kan bestaan zonder dat derden buiten de autoriteiten kennis nemen van de beschuldigingen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de schadevergoeding, waarbij het hof een redelijke afweging had gemaakt van de ernst van de aantasting en de beperkte bekendheid van de aangifte. De zaak benadrukt de zorgplicht bij het doen van strafrechtelijke aangifte en de vrijheid van de rechter bij het vaststellen van immateriële schade.