Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
(Kamerstukken II 1982/83, 11 932, nr. 10, p. 4, 5)
3.Slotsom
4.Beslissing
23 september 2014.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin TBS met dwangverpleging was opgelegd wegens ernstige vermogensdelicten. Het hof had geoordeeld dat de maatregel ook bij vermogensdelicten kan worden opgelegd indien de algemene veiligheid van goederen dit vereist, waarbij het belang van het ongestoorde bezit van goederen van willekeurige derden als voldoende werd beschouwd.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit criterium onjuist heeft toegepast. Voor de toepassing van TBS wegens ernstig gevaar voor de algemene veiligheid van goederen is meer vereist dan alleen het aantasten van het ongestoorde bezit. Vermogensdelicten die geen fysieke aantasting veroorzaken, kunnen weliswaar de algemene veiligheid van personen ernstig in gevaar brengen, zoals bij diefstal met geweld of afpersing, maar dat betekent niet dat elk vermogensdelict hiervoor in aanmerking komt.
De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest dat de strafoplegging betrof en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. De overige onderdelen van het cassatieberoep werden verworpen. De zaak bevatte uitgebreide feiten over diverse oplichtingspraktijken waarbij verdachte met valse namen en listige kunstgrepen meerdere goederen en geldbedragen wist te verkrijgen.
De deskundigen adviseerden een TBS-maatregel met dwangverpleging vanwege de ernst van de psychische stoornis en de recidive, maar de Hoge Raad benadrukte dat de wettelijke criteria strikt moeten worden toegepast. De zaak illustreert de zorgvuldigheid die vereist is bij het opleggen van TBS bij vermogensdelicten en de afweging tussen strafrechtelijke maatregel en bescherming van de samenleving.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor wat betreft de strafoplegging en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.