Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het vijfde middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
16 september 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, waarin het hof de oproeping voor de terechtzitting van 29 november 2012 niet nietig verklaarde, ondanks het ontbreken van een vertaling in het Roemeens. De verdachte stelde dat de oproeping nietig was omdat deze uitsluitend in het Nederlands was gesteld en niet tijdig was verzonden volgens het Europees Verdrag aangaande wederzijdse rechtshulp.
De Hoge Raad onderzocht de toepasselijkheid van art. 588, tweede lid, Sv, in verbinding met de EU-rechtshulpovereenkomst en het Europees Verdrag. Hoewel werd vastgesteld dat de vertaling van de oproeping in strijd met deze bepalingen ontbrak, oordeelde de Hoge Raad dat dit niet tot nietigheid van de oproeping leidde, verwijzend naar eerdere jurisprudentie.
Ook het betoog dat de oproeping niet tijdig was verzonden naar het Roemeense adres faalde. De Hoge Raad concludeerde dat het middel ongegrond was en verwierp het beroep. Hiermee werd bevestigd dat formele schendingen van vertaal- en termijnvereisten niet automatisch leiden tot nietigheid van oproepingen in internationale strafprocedures.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde de geldigheid van de oproeping zonder Roemeense vertaling.