Belanghebbende en haar echtgenoot sloten een lening af met hoofdelijke aansprakelijkheid en vestigden een hypotheek op een woning als zekerheid. Na verkoop van de woning in 2005 werd een deel van de opbrengst gebruikt voor aflossing van de lening. Belanghebbende claimde dit als negatief voordeel uit werkzaamheid in haar belastingaangifte.
Het hof oordeelde dat belanghebbende een regresvordering had op haar echtgenoot ter grootte van de helft van het afgeloste bedrag en dat deze vordering ten laste van het resultaat uit werkzaamheid kon worden afgewaardeerd. De Inspecteur stelde dat de hoofdelijke aansprakelijkheid was aangegaan om onzakelijke redenen, waardoor afwaardering niet mogelijk zou zijn.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof omdat het hof onvoldoende heeft onderzocht of sprake was van onzakelijke motieven. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat belanghebbende een regresvordering heeft op het volledige bedrag van de lening. De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling, waarbij het volledige bedrag en de onzakelijke motieven moeten worden betrokken.
De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van het incidentele cassatieberoep. Het arrest is gewezen door de vice-president Overgaauw en vier raadsheren en op 26 september 2014 in het openbaar uitgesproken.