Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De conclusie van de Advocaat-Generaal
4.Beoordeling van de aanvraag
26 november 2008 in Suriname verbleef.
5.Beslissing
16 september 2014.
Hoge Raad
De aanvraagster verzocht de Hoge Raad om herziening van een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin zij was veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen. De aanvraag berustte op de stelling dat niet zij, maar haar jongere zuster de diefstal had gepleegd en dat sprake was van persoonsverwisseling. Ter onderbouwing werden verklaringen en kopieën van het paspoort van de aanvraagster overgelegd.
De Advocaat-Generaal concludeerde dat de aanvraag gegrond zou moeten worden verklaard en verwees de zaak terug naar het hof. Naar aanleiding hiervan voerde de regiopolitie Zaanstreek-Waterland een onderzoek uit. De Hoge Raad oordeelde echter dat de overgelegde stukken onvoldoende steun boden voor de stelling van persoonsverwisseling. De verklaring van de zuster was niet ondersteund door bewijs en het paspoort toonde niet overtuigend aan dat de aanvraagster op het moment van de diefstal in Suriname verbleef.
Daarnaast had de aanvraagster tijdens de eerdere procedure geen alibi of persoonsverwisseling als verweer gevoerd, wat de geloofwaardigheid van de aanvraag verder ondermijnde. Gezien deze omstandigheden wees de Hoge Raad de aanvraag tot herziening af conform artikel 470 Sv Pro.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president van de Hoge Raad en twee raadsheren, waarbij twee raadsheren niet konden ondertekenen. Het arrest bevestigt de strenge criteria voor het toewijzen van herzieningsverzoeken op basis van nieuwe feiten.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens onvoldoende bewijs van persoonsverwisseling.