ECLI:NL:HR:2014:2794

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 september 2014
Publicatiedatum
25 september 2014
Zaaknummer
13/04850
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.J.A. van Dorst
  • J.P. Balkema
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 470 SvArt. 472 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag herziening wegens onvoldoende bewijs persoonsverwisseling bij winkeldiefstal

De aanvraagster verzocht de Hoge Raad om herziening van een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin zij was veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen. De aanvraag berustte op de stelling dat niet zij, maar haar jongere zuster de diefstal had gepleegd en dat sprake was van persoonsverwisseling. Ter onderbouwing werden verklaringen en kopieën van het paspoort van de aanvraagster overgelegd.

De Advocaat-Generaal concludeerde dat de aanvraag gegrond zou moeten worden verklaard en verwees de zaak terug naar het hof. Naar aanleiding hiervan voerde de regiopolitie Zaanstreek-Waterland een onderzoek uit. De Hoge Raad oordeelde echter dat de overgelegde stukken onvoldoende steun boden voor de stelling van persoonsverwisseling. De verklaring van de zuster was niet ondersteund door bewijs en het paspoort toonde niet overtuigend aan dat de aanvraagster op het moment van de diefstal in Suriname verbleef.

Daarnaast had de aanvraagster tijdens de eerdere procedure geen alibi of persoonsverwisseling als verweer gevoerd, wat de geloofwaardigheid van de aanvraag verder ondermijnde. Gezien deze omstandigheden wees de Hoge Raad de aanvraag tot herziening af conform artikel 470 Sv Pro.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president van de Hoge Raad en twee raadsheren, waarbij twee raadsheren niet konden ondertekenen. Het arrest bevestigt de strenge criteria voor het toewijzen van herzieningsverzoeken op basis van nieuwe feiten.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens onvoldoende bewijs van persoonsverwisseling.

Uitspraak

16 september 2014
Strafkamer
nr. S 13/04850 H
AGE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 augustus 2010, nummer 23/006031-09, ingediend door mr. A.J. van Ommeren, advocaat te Amsterdam, namens:
[aanvraagster], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Haarlem van 13 november 2009 – de aanvraagster ter zake van "diefstal door twee of meer verenigde personen" gepleegd op 26 november 2008, veroordeeld tot een gevangenisstraf van een week.

2.De aanvraag tot herziening

2.1.
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2.
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat sprake is van een persoonsverwisseling.

3.De conclusie van de Advocaat-Generaal

3.1.
De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren, de opschorting van de tenuitvoerlegging van de in de aanvraag vermelde uitspraak zal bevelen en de zaak zal verwijzen op de voet van art. 472 Sv Pro.
3.2.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

4.Beoordeling van de aanvraag

4.1.
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv Pro slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
4.2.
De aanvraag berust op de stelling dat het niet de aanvraagster, maar haar jongere zuster, [betrokkene 1], is geweest die samen met [betrokkene 2] op 26 november 2008 te Zaandam de hiervoor onder 1 bedoelde winkeldiefstal heeft gepleegd. [betrokkene 1] zou destijds, naar [betrokkene 2] thans verklaart, bij haar aanhouding de naam van de aanvraagster hebben opgegeven, omdat zij op dat moment illegaal in Nederland verbleef en geen uitzetting wilde riskeren. Ter onderbouwing van deze stelling is bij de aanvraag gevoegd een schriftelijke verklaring van [betrokkene 2] waarin deze gang van zaken door haar wordt bevestigd, alsmede kopieën van het paspoort van de aanvraagster waaruit zou moeten blijken dat zij op
26 november 2008 in Suriname verbleef.
4.3.
Naar aanleiding van de aanvraag is op verzoek van de Advocaat-Generaal Aben door de regiopolitie Zaanstreek-Waterland een onderzoek ingesteld. De resultaten van dit onderzoek zijn weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.
4.4.
Noch de resultaten van het door de Advocaat-Generaal verzochte onderzoek noch hetgeen in de aanvraag is aangevoerd, geeft voldoende steun aan de stelling waarop de aanvraag berust, te weten dat in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening is gevraagd, sprake is geweest van een persoonsverwisseling. Nu naar het oordeel van de Hoge Raad uit de door de aanvraagster overgelegde kopieën van haar paspoort niet zonder meer kan worden afgeleid dat zij op 26 november 2008 in Suriname verbleef, kunnen in feite enkel de verklaringen van [betrokkene 2] steun bieden aan de stelling waarop de aanvraag berust. De inhoud daarvan is, zonder enig steunbewijs, ontoereikend om het in de aanvraag aangevoerde aan te merken als een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv.
Daarbij komt dat de aanvraagster bij de behandeling van haar strafzaak in hoger beroep bij monde van haar gemachtigde raadsman ermee heeft volstaan als bezwaar tegen het vonnis van de Politierechter aan te voeren dat zij de opgelegde straf te hoog vindt maar niet, zoals zij thans wel doet, het verweer heeft gevoerd dat zij op de pleegdatum een alibi had en dat niet zij maar haar zuster het feit waarvoor zij werd vervolgd, heeft gepleegd.
De aanvraag is dus ongegrond en moet ingevolge art. 470 Sv Pro worden afgewezen. Het door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie onder 11 genoemde "betrekkelijke gewicht van de zaak" leidt niet tot een ander oordeel.

5.Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 september 2014.
Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.