ECLI:NL:HR:2014:2819

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 september 2014
Publicatiedatum
25 september 2014
Zaaknummer
14/02584
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 350 lid 3 onder d Fw
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling tussentijdse beëindiging WSNP bij ontstaan nieuwe bovenmatige schuld

In deze zaak stond de vraag centraal of de tussentijdse beëindiging van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) terecht was vanwege het ontstaan van nieuwe bovenmatige schuld. De verzoekster had tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beroep in cassatie ingesteld. Het hof had het verzoek tot voortzetting van de WSNP afgewezen omdat volgens artikel 350 lid 3 onder Pro d van de Faillissementswet (Fw) sprake was van nieuwe bovenmatige schuld.

De Hoge Raad verwijst naar het grievenstelsel van artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO), dat een in beginsel strakke regel inhoudt. De klachten van verzoekster konden niet tot cassatie leiden en er was geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten niet relevant waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Het arrest bevestigt dat het ontstaan van nieuwe bovenmatige schuld een geldige grond is voor tussentijdse beëindiging van de WSNP en dat feiten van algemene bekendheid en algemene ervaringsregels daarbij kunnen worden betrokken. De Hoge Raad verwerpt daarom het cassatieberoep en bekrachtigt het arrest van het hof.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de tussentijdse beëindiging van de WSNP wegens nieuwe bovenmatige schuld.

Uitspraak

26 september 2014
Eerste Kamer
nr. 14/02584
TT/EE
Hoge Raad der Nedelanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos,
t e g e n
[de bewindvoerder], in haar hoedanigheid van bewindvoerder,
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. S.M. Kingma.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en de bewindvoerder.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C06/11/224R van de rechtbank Gelderland van 18 december 2013;
b. het arrest in de zaak 200.144.082 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 mei 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De bewindvoerder heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
26 september 2014.