Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
30 september 2014.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1978, stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 december 2012. Echter zijn namens de verdachte geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk gestelde termijn. De Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep en stelde vast dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet was nageleefd. Hierdoor kon de verdachte niet worden ontvangen in het beroep.
Op 30 september 2014 heeft de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het beroep. Het arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, waarbij Mr. Jörg het arrest niet heeft ondertekend wegens verhindering.
Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van schriftuur houdende middelen binnen de wettelijke termijn.