Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 5 maart 2013, nrs. 12/00026 en 12/00027, betreffende aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
Belanghebbende, een psychotherapeut, kreeg voor de jaren 2002 en 2003 aanslagen inkomstenbelasting opgelegd die na bezwaar en beroep deels werden gehandhaafd en deels verminderd door het hof. De discussie betrof onder meer de kwalificatie van panden als ondernemingsvermogen of eigen woning en de waardering van antiek.
In cassatie klaagde belanghebbende dat het hof niet over het volledige dossier beschikte, dat het oordeel over het gebruik van een pand onbegrijpelijk was vanwege een onjuiste overweging over waterverbruik, dat de waardering van antiek onvoldoende was gemotiveerd en dat het hof het beroep op het vertrouwensbeginsel niet had behandeld.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof wel over de relevante stukken beschikte en dat de klacht hierover faalt. Wel werd geoordeeld dat het hof onjuist had geoordeeld over het pand vanwege een onjuiste overweging over waterverbruik. Ook was de motivering over de waardering van het antiek onvoldoende, omdat het hof niet op de stellingen van belanghebbende was ingegaan. Tevens had het hof het beroep op het vertrouwensbeginsel niet behandeld.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond, vernietigde het hofarrest behoudens enkele onderdelen, en verwees de zaak naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht werd aan belanghebbende vergoed.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling.