Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te [vestigingsplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
3 oktober 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of een bij verstek veroordeelde eiser die het vonnis niet persoonlijk had ontvangen, zijn hoger beroep tijdig had ingesteld ondanks overschrijding van de wettelijke termijn van drie maanden. De eiser was samen met een medegedaagde hoofdelijk veroordeeld tot terugbetaling van een geldlening. Tegen de eiser was verstek verleend omdat hij niet was verschenen.
Het hof verklaarde het hoger beroep van de eiser niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de appeltermijn. De Hoge Raad oordeelde echter dat in gevallen waarin het vonnis niet persoonlijk bekend is geworden aan de bij verstek veroordeelde, de termijn voor hoger beroep niet strikt kan worden toegepast zonder het recht op toegang tot de rechter te schenden.
De Hoge Raad stelde dat de termijn van veertien dagen voor het instellen van hoger beroep begint te lopen vanaf de dag na persoonlijke betekening of bekendheid met het vonnis. In dit geval was het vonnis pas op 21 maart 2011 persoonlijk betekend, en het hoger beroep werd op 18 april 2011 ingesteld. Ondanks de overschrijding van veertien dagen achtte de Hoge Raad het hoger beroep tijdig omdat pas met dit arrest duidelijkheid werd verschaft over de toepasselijke termijnregeling.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug voor verdere behandeling. Tevens veroordeelde hij de verweerster in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het hoger beroep van de bij verstek veroordeelde eiser wordt geacht tijdig te zijn ingesteld ondanks overschrijding van de appeltermijn.