Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
7 oktober 2014.
Hoge Raad
De verdachte plaatste in februari 2011 een bedreigende tweet gericht aan Geert Wilders, lid van de Tweede Kamer, met de tekst dat zij hem zou vermoorden en het een eer zou vinden om daarvoor gevangen te worden. Het hof Arnhem-Leeuwarden verklaarde dit bewezen en oordeelde dat verdachte opzet had dat Wilders de bedreiging zou lezen en daardoor vrees zou krijgen voor zijn leven.
De verdediging voerde aan dat verdachte niet de bedoeling had Wilders te bedreigen en niet wist of beoogde dat Wilders de tweet zou lezen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het aannam dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat Wilders de bedreiging zou lezen en daardoor vrees zou krijgen. De enkele plaatsing van de tweet op Twitter is onvoldoende om dit opzet te bewijzen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling. De zaak zal opnieuw worden berecht door het hof Arnhem-Leeuwarden. Hiermee wordt het eerdere oordeel over het opzet van de verdachte niet bevestigd, maar opnieuw onderzocht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onvoldoende motivering van het opzet en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.