Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
10 oktober 2014.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Partijen, een man en een vrouw, hadden een affectieve relatie en woonden van 1989 tot medio 2008 samen. Zij sloten in 2001 een samenlevingsovereenkomst waarin afspraken stonden over de financiering en verdeling van kosten van hun gezamenlijke woning. De man had uit zijn privévermogen extra aflossingen gedaan op de hypotheek van de woning en vorderde op grond van de overeenkomst een vergoeding van de vrouw.
De rechtbank oordeelde dat een deel van deze aflossingen uit privévermogen kwam en toekwam aan de man bij verkoop van de woning. Het hof vernietigde dit oordeel en bepaalde dat de netto verkoopopbrengst gelijkelijk moest worden verdeeld, waarbij het bedrag van de privé-aflossingen niet apart aan de man toekwam. Het hof motiveerde dit met een natuurlijke verbintenis en een verzorgingsverplichting jegens de vrouw.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel onvoldoende had gemotiveerd en dat het meer voor de hand lag om de aflossingen als een vordering uit eigen middelen conform de samenlevingsovereenkomst te beschouwen. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof Amsterdam en verwees de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling. De kosten van het cassatiegeding worden door partijen zelf gedragen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling.