ECLI:NL:HR:2014:2933

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 oktober 2014
Publicatiedatum
13 oktober 2014
Zaaknummer
13/05894
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 1:100 lid 1 BW
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap en waardebepaling aandelen

In deze zaak stond de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap centraal, met bijzondere aandacht voor de waardebepaling van aandelen en de draagplicht voor gemeenschapsschulden volgens artikel 1:100 lid 1 BW Pro. De vrouw, verzoekster tot cassatie, stelde zich op het standpunt dat het hof de waarderingsgrondslag onjuist had toegepast en dat er grond was voor afwijking van de hoofdregel van gelijke verdeling.

De procedure begon bij de rechtbank Rotterdam met beschikkingen in 2011 en 2012, waarna het gerechtshof Den Haag in 2013 een beschikking gaf die het geschil beslechtte. Tegen deze beschikking stelde de vrouw beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep te verwerpen, waarop de vrouw reageerde.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de vrouw niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof en wees het cassatieberoep af.

De beschikking werd gegeven door de raadsheren Van Buchem-Spapens (voorzitter), Heisterkamp en Snijders, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer De Groot op 10 oktober 2014.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de beschikking van het hof.

Uitspraak

10 oktober 2014
Eerste Kamer
nr. 13/05894
EE/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. S. Kousedghi,
t e g e n
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. K. Aantjes.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak met rekestnummers 371494/F1 RK 11-177 en 383395/F1 RK 11-2324 van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2011 en 17 oktober 2012;
b. de beschikking in de zaak 200.120.417/01 en 200.125.614/01 van het gerechtshof Den Haag van 28 augustus 2013.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 4 juli 2014 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
10 oktober 2014.