ECLI:NL:HR:2014:296

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 februari 2014
Publicatiedatum
11 februari 2014
Zaaknummer
12/03409
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 ROArt. 440 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering betalingsverplichting wegens overschrijding redelijke termijn in profijtontnemingszaak

De Hoge Raad heeft op 11 februari 2014 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 22 juni 2012. Het geschil betrof een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene had beroep in cassatie ingesteld tegen het hofarrest.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte geen rechtsgevolg verbond aan de vaststelling dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg was overschreden, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot vernietiging van het hofarrest en een passende beslissing door de Hoge Raad.

Om doelmatigheidsredenen besloot de Hoge Raad de zaak zelf af te doen. De betalingsverplichting van €190.300,- werd verminderd met €5.000,- vanwege de termijnoverschrijding. De rest van het beroep werd verworpen. Hiermee werd een gedeeltelijke vernietiging en wijziging van het hofarrest gerealiseerd.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot €185.300,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

11 februari 2014
Strafkamer
nr. 12/03409 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 juni 2012, nummer 23/002736-10, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het eerste middel

3.1.
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden aan de vaststelling dat tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.
3.2.
De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot het in het middel bedoelde oordeel van het hof in hetgeen in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5 is weergegeven.
3.3.
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 7 en 8 is het middel terecht voorgesteld.
3.4.
De Hoge Raad zal de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen. In cassatie wordt ervan uitgegaan dat de termijn van berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in eerste aanleg is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 190.300,-. De Hoge Raad zal die betalingsverplichting verminderen met € 5.000,-.

4.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 185.300,- bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 februari 2014.