Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Slotsom
5.Beslissing
11 februari 2014.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 11 februari 2014 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 22 juni 2012. Het geschil betrof een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene had beroep in cassatie ingesteld tegen het hofarrest.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte geen rechtsgevolg verbond aan de vaststelling dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg was overschreden, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot vernietiging van het hofarrest en een passende beslissing door de Hoge Raad.
Om doelmatigheidsredenen besloot de Hoge Raad de zaak zelf af te doen. De betalingsverplichting van €190.300,- werd verminderd met €5.000,- vanwege de termijnoverschrijding. De rest van het beroep werd verworpen. Hiermee werd een gedeeltelijke vernietiging en wijziging van het hofarrest gerealiseerd.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot €185.300,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.