Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
14 oktober 2014.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 30 september 2013. Namens de verdachte heeft mr. E.R. Weening middelen van cassatie voorgesteld. De Advocaat-Generaal heeft geadviseerd het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
De Hoge Raad heeft het standpunt van de Advocaat-Generaal gevolgd. De klachten van de verdachte rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten geen cassatie kunnen leiden.
Op 14 oktober 2014 heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a RO.