ECLI:NL:HR:2014:2970

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2014
Publicatiedatum
14 oktober 2014
Zaaknummer
12/02857
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling redelijke termijn en toepassing strafvermindering in samenhangende ontnemingszaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden, hetgeen een strafvermindering zou moeten opleveren.

De Hoge Raad constateert dat inderdaad meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, waardoor sprake is van overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Echter, deze overschrijding leidt niet automatisch tot cassatie of strafvermindering in de ontnemingszaak zelf.

De Hoge Raad verwijst naar de samenhangende strafzaak die eveneens in cassatie is en waar de redelijke termijn ook is overschreden. De compensatie voor deze termijnoverschrijding kan in die hoofdzaak worden toegepast. Daarom verbindt de Hoge Raad aan de overschrijding in de ontnemingszaak geen zelfstandig rechtsgevolg en verwerpt het beroep.

Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en het oordeel is gegeven zonder nadere motivering omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks overschrijding van de redelijke termijn, met toepassing van compensatie in de samenhangende strafzaak.

Uitspraak

14 oktober 2014
Strafkamer
nr. S 12/02857 P
SG/ABG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem, van 22 maart 2012, nummer 24/002106-09, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.1.
Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak, welke in cassatie aanhangig is onder nr. 13/03703, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. De compensatie tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, kan worden toegepast in de hoofdzaak.
3.2.
Gelet hierop is er geen aanleiding om in de onderhavige zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 oktober 2014.