Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Slotsom
4.Beslissing
11 februari 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld wegens het steken van een ander met een mes in de rug, waarbij het hof het beroep op noodweer verwierp. Volgens het hof was er geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of onmiddellijk dreigend gevaar, omdat het slachtoffer met zijn rug naar de verdachte stond op het moment van de steek.
De verdachte voerde aan dat hij zich verdedigde tegen een dreigend gevaar, aangezien het slachtoffer hem met een kettingslot had bedreigd en op hem afkwam. De verdediging stelde ook subsidiair noodweerexces in. Het hof verwierp deze verweren vanwege het ontbreken van een noodweersituatie.
De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof niet begrijpelijk was omdat het hof niet meer had vastgesteld dan dat het slachtoffer met zijn rug naar de verdachte stond, zonder nadere motivering waarom dit het ontbreken van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding zou betekenen.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van het hoger beroep op basis van het bestaande dossier en de reeds gedane onderzoeken en verklaringen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof over afwijzing noodweer en verwijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling.