Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
11 februari 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof veroordeeld voor uitkeringsfraude door het valselijk opmaken en ondertekenen van periodieke verklaringen waarin hij en zijn mededader onjuiste informatie gaven over ontvangen inkomsten en vermogen. De verklaringen waren bestemd om als bewijs te dienen voor het recht op een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet.
In cassatie stelde de verdachte dat het bewezenverklaarde opzet niet voldoende uit de bewijsmiddelen bleek. De Hoge Raad oordeelde dat hoewel het hof het vonnis van de rechtbank bevestigde, de motivering onvoldoende was om het opzet overtuigend aan te tonen. De verklaringen van verdachte en mededader dat zij bewust bedragen niet hadden vermeld omdat zij dachten dat de Sociale Dienst hiervan op de hoogte was, maakten het opzet niet zonder meer aannemelijk.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor een nieuwe beoordeling en beslissing op het bestaande hoger beroep. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 11 februari 2014.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het gerechtshof voor hernieuwde berechting.