Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
28 oktober 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd voor hetzelfde feit, een overtreding van art. 5 Wegenverkeerswet Pro 1994 gepleegd op 2 september 2011 te Utrecht, tweemaal gedagvaard: eerst voor de Rechtbank en later voor de Kantonrechter. Het Hof verklaarde het tenlastegelegde bewezen en veroordeelde de verdachte tot een maand hechtenis en ontzegging van de rijbevoegdheid voor een jaar. De Kantonrechter veroordeelde de verdachte bij verstek tot een geldboete en een voorwaardelijke ontzegging.
De verdachte stelde in cassatie dat het Hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk had moeten verklaren op grond van het ne bis in idem-beginsel (art. 68 Sr Pro) omdat hij reeds onherroepelijk was veroordeeld voor hetzelfde feit. De Hoge Raad oordeelde dat art. 68 Sr Pro alleen ziet op onherroepelijke uitspraken. Omdat de uitspraak van de Kantonrechter ten tijde van het arrest van het Hof nog niet onherroepelijk was, was het beroep ongegrond.
De Hoge Raad benadrukte dat het systeem van het Wetboek van Strafvordering vereist dat het OM zich onthoudt van een tweede dagvaarding voor hetzelfde feit zolang de eerste zaak nog niet onherroepelijk is beslist. In deze zaak was de dagvaarding van het Hof eerder uitgebracht dan die van de Kantonrechter, waardoor geen sprake was van een onrechtmatige vervolging.
Het beroep werd daarom verworpen en de eerdere jurisprudentie werd bevestigd, waarbij ook het onderscheid met een eerdere zaak uit 1995 werd toegelicht waarin verkeerde informatie aan de politierechter en verdachte leidde tot een andere uitkomst.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt dat het ne bis in idem-beginsel pas geldt na een onherroepelijke uitspraak.