Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
11 februari 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor het mondeling beledigen van een persoon die stottert door hem op stotterende wijze toe te spreken. Het hof stelde vast dat verdachte bewust op stotterende wijze sprak tegen de stotteraar met het doel hem te kwetsen, waarbij dit gebeurde in aanwezigheid van derden.
Het bewijs bestond uit verklaringen van het slachtoffer, getuigen en verdachte zelf, waarin werd bevestigd dat verdachte bewust de spraakstoornis van het slachtoffer imiteerde om hem te beledigen. Het hof oordeelde dat deze gedragingen als een belediging in de zin van artikel 266 Sr Pro moeten worden aangemerkt, omdat de uitlatingen de eer en goede naam van het slachtoffer aantasten.
Verdediging voerde aan dat het stotterend toespreken een uiting van emotie was in het kader van een slepend conflict en niet als belediging moest worden gezien. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat het oordeel begrijpelijk was, gezien de omstandigheden en de bedoeling van verdachte.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof dat het opzettelijk imiteren van het stotteren van een ander met het doel te kwetsen een belediging vormt. Hiermee werd het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd waarbij het opzettelijk stotterend toespreken van een stotteraar als belediging wordt aangemerkt.